Ax Men
History
.jpg)
Houthakken wordt geassocieerd met volksfiguur Paul Bunyan, de mythische houthakker met z'n bijl en z'n blauwe os Babe. In werkelijkheid is houthakken een grote, complexe industrie. De wereldbank schat dat producten uit het woud zo'n 270 miljard dollar per jaar opbrengen. En de wereldwijde belangstelling voor alles varierend van papier tot bouwmaterialen lijkt niet af te nemen. Naar verwachting stijgt de wereldwijde houtconsumptie met ten minste 20 procent in 2010 en met ruim 50 procent in 2050 volgens de Resource Conservation Alliance.
Houthakken in Amerika dateert uit het begin van de 17e eeuw. Vanaf de komst van kolonisten in Jamestown in 1607 was hout van essentieel belang voor de economie van Noord-Amerika. De scheepsbouw voedde de behoefte aan hout en de vraag steeg exponentieel met de komst van de Industriële Revolutie. Begin 1830 was Bangor in Maine 's werelds grootste overslaghaven, met meer dan 1252 biljoen kubieke duim hout die tussen 1832 en 1888 uit het gebied werd verscheept, volgens het Patten Lumberman's Museum. In het midden van de 19e eeuw vond proces opgang om papier te vervaardigen uit houtpulp. In 1690 stichtte William Rittenhouse Amerika's eerste papierfabriek in Germantown in Pennsylvania, maar pas in het midden van de 19e eeuw werd papier geproduceerd uit lompen en ander materiaal.
In de hele 19e eeuw trokken Amerikanen naar het westen op zoek naar nieuw land en natuurlijke rijkdommen. Het aannemen van de Homestead Act in 1862 verleidde kolonisten ertoe de lange en moeilijke reis te maken naar het westen, door de belofte van 65 hectare land per gezin om te bebouwen en op te wonen. Die stukken land stonden vaak vol met bomen, wat de 'homesteaders' dwong om eerst de bomen te kappen voor ze het land konden gebruiken. Rond dezelfde tijd nam de houtvoorraad in het Midwesten af en moesten houthakkers op zoek naar nieuwe bronnen van het 'groene goud'.
Aan het begin van de 20e eeuw was het noordwesten van de Pacific hard op weg om de plek te worden waar kwaliteitshout te krijgen was. Aan het eind van de jaren 1820 had de regio z'n eerste houtzagerij en tegen 1890 vergaarden houthakkersbedrijven in Washington jaarlijks ruim 144 miljard kubieke duim hout, volgens het Center for the Study of the Pacific Northwest (CSPN) en de Universiteit van Washington. Het CSPN meldt dat Washington in 1905 de Amerikaanse staat werd die het meeste hout produceerde, en in 1926 bereikte de houtoogst een recordhoogte van 1094 miljard kubieke duim (ter vergelijking, in 2000 was de houtoogst 590,4 kubieke duim).
Vroege houthakkers en kolonisten hakten hout in de buurt van water en gingen dan steeds verder weg naarmate dat land leeg raakte. Het water maakte het makkelijk om het hout te transporteren naar houtzagerijen en overzee, maar toen de houthakkers gedwongen werden meer het binnenland in te gaan, moesten ze nieuwe manieren vinden om hun product te vervoeren. Een populaire techniek om hout te transporteren was per paard of os, die boomstammen over sleepbanen en ruw terrein door het bos trokken. Log flumes, nu bekend van ritjes in pretparken, werden gebruikt om boomstammen te vervoeren via door de mens gemaakte goten. Als houthakkers in de buurt van een stroompje werkten, werden er boomstammen-vervoerders gebruikt om het hout naar bredere waterwegen te brengen, waar ze samengebonden werden tot vlottten. (De sport logrolling, waarbij het erom gaat wie het langste op een rollende boomstam kan blijven staan, is hieruit ontstaan.)
Een andere manier om boomstammen naar de markt te vervoeren, waren ruwe spoorwegen, gemaakt van het hout dat ze moesten transporteren. Als de boomstammen eenmaal een grote waterweg hadden bereikt, werden ze naar sorteerplaatsen gezonden en daarna naar een houtzagerij, om bewerkt te worden tot een bruikbaar product of geëxporteerd naar verre oorden als Australië en China.
Houthakkers werkten in mannenploegen en hadden hun eigen vocabulaire. Een 'bucker' was iemand die bomen in handelbare stukken zaagde nadat deze waren omgehakt door een 'faller', terwijl de 'whistle punk' voor informatie-uitwisseling zorgde tussen het werkterrein en het gebied waar boomstammen gesleept werden om te worden geladen, volgens het CSPN. Voor de komst van stoommachines en benzinevoertuigen waren de houthakkers aangewezen op bijlen, handzagen en trekdieren, evenals kettingzagen en vergaarmachines zoals de 'feller-buncher'. In de 19e en de eerste decennia van de 20e eeuw leefden houthakkers in afgelefgen kampen vlak bij hun werkplekken.


